Allochtonen: Paria's onder de doelgroepen?

23-09-2008 | Bilal Benyaich & Nele Spaas - VVS

De kans op bewuste en onbewuste discriminatie en sluikse asociale selectiemechanismen neemt in het nieuwe systeem nog toe.

 

  Minister Frank Vandenbroucke werkt volop aan een nieuw financieringsmechanisme voor universiteiten en hogescholen. Terwijl de eerste werkteksten van het nieuwe decreet de ronde doen probeert de onderwijsminister ondertussen deze hervorming te verkopen als dé hefboom voor een tweede democratiseringsgolf. Na de eerste golf die vooral de arbeidersklasse de weg wees naar het hoger onderwijs, mikt deze nieuwe democratiseringsbeweging vooral op een hogere in- en doorstroom van de groeiende groep ‘allochtonen’. Een groep die totnogtoe zwaar ondervertegenwoordigd is in het hoger onderwijs. Uiteraard staan wij met de volle 100% achter deze doelstelling, maar is het voorgestelde systeem wel in staat om deze te verwezenlijken?

Het plan van Vandenbroucke zet zwaar in op outputfinanciering. Ondanks het luide protest hiertegen, zal het instellingsbudget niet meer worden berekend op basis van de ingeschreven studenten, maar wel op basis van de geslaagde studenten, al is er een uitzondering voorzien voor het eerste jaar. Verder kent de overheid een bonus toe voor elk behaald diploma. Bovendien rantsoeneert de minister ook het recht op onderwijs. Voortaan krijgt elke student aan de start een rugzakje vol studiepunten mee. Als dit op is, dan is het niet zeker meer dat de student kan inschrijven. Krijgt hij wel nog de toestemming, dan moet hij het dubbele studiegeld betalen. Bovenstaande maakt duidelijk dat de minister nogal sterk de nadruk legt op prestatie. Onbegrijpelijk is dat hij in zijn plan voorbij gaat aan het feit dat de slaagkansen de dag van vandaag sterk sociaal vertekend zijn. Allochtone studenten zijn niet alleen zwaar ondervertegenwoordigd in het hoger onderwijs, ze kampen ook met beduidend lagere doorstroomkansen. Het slaagpercentage van de allochtone eerste jaarsstudenten aan de Universiteit Hasselt bijvoorbeeld, ligt op 27%, een schril contrast met de 60% slaagkans voor autochtone medestudenten. Ook in de hogere jaren heeft de student met allochtone roots nog steeds 13,5% minder kans op slagen. Aan de UA legt slechts 15% van de Belgische jongeren van Turkse of Marokkaanse origine hun eerste jaar met vrucht af. Dat veel van deze jongeren het hoger onderwijs zonder diploma verlaten, mag dan ook niet verbazen. Moeilijker doorstromende studenten zullen in de toekomst vaker hun studies moeten stopzetten omdat hun rugzakje met studiepunten leeg is. Bovendien worden deze studenten ook voor de instellingen financieel heel wat minder aantrekkelijk. Valt een student uit, dan loopt de instelling de diplomabonus mis. Loopt een student een jaartje studievertraging op, dan levert dit de instelling maar één keer financiering op. Kortom, instellingen gedreven door winstmaximalisatie zullen deze kostelijke studenten liever kwijt dan rijk zijn. De kans op bewuste en onbewuste discriminatie en sluikse asociale selectiemechanismen neemt in het nieuwe systeem nog toe. Het risico is reëel dat instellingen zich in de toekomst vooral zullen richten naar de gemakkelijke student die zijn opleiding mooi op schema afwerkt. De strijd om de doktersdochters uit sterke ASO-richtingen in witte concentratiescholen, zal genadeloos worden opgevoerd. De kans dat allochtone jongeren nog slechter af zijn in het nieuwe systeem is groot. Zeer groot. Het nieuwe financieringsmechanisme van minister Vandenbroucke dreigt zijn doel voorbij te schieten. Voor ons dient een nieuwe bekostigingsmechanisme instellingen niet minder maar net meer te financieren voor kansengroepen met een hoger risico op studievertraging en op uitval. Stimulansen moet het hoger onderwijs ertoe aanzetten om ondervertegenwoordigde groepen aan te trekken én hun ongelijke startkansen weg te werken. Als het de overheid menens is met diversiteit in het hoger onderwijs, dan kan ze het zich niet langer veroorloven om alle studenten over dezelfde kam te scheren, wanneer de universiteiten en hogescholen langs de kassa passeren. Diversiteit vergt een financiering op maat. Een financiering die rekening houdt met studentenkenmerken en hun verschillende onderwijsbehoeften. Positief is wel dat de minister dat sinds kort begint in te zien. Hij erkent dat zijn outputfinanciering gevaarlijk kan zijn voor moeizaam doorstromende doelgroepen. Op studentenvraag heeft hij daarom een extra financiële weging ingevoerd die de gevaren van output moet corrigeren. Studenten met functiebeperkingen, beursstudenten, werkstudenten... zullen in de toekomst aan de instelling anderhalve keer zoveel opleveren als een modale student. Wat opvalt is dat de minister zowat oog heeft voor elke denkbare doelgroep behalve voor de allochtone student. Terwijl de extra zorg voor de overige doelgroepen structureel wordt ingebouwd in het nieuwe financieringssysteem, verwijst de minister de allochtone studenten door naar een nog op te richten ‘aanmoedigingsfonds’. Met veel poeha werd aangekondigd dat dit ‘gelijke kansenfonds’ van 5% van het totale onderwijsbudget, dé hefboom voor de tweede democratiseringsgolf zou vormen. Ondertussen is het echter geslonken tot een magere 1%... Dat bedrag is niet van die aard om korte metten te maken met de achterstelling van allochtonen in het hoger onderwijs. Het nieuwe financieringsplan degradeert jongeren van allochtone origine tot de paria’s onder de doelgroepen, de dalits van het systeem. Nochtans worden ze geconfronteerd met een hele resem achterstellingsfactoren die mekaar onderling versterken. De ongezien lage slaagkansen vormen daarvan het overtuigend bewijs. We vragen ons af waarom allochtonen niet op dezelfde manier kunnen behandeld worden als de andere minder goed doorstromende kansengroepen? Het vaak gehoorde argument is dat er geen sluitende definitie bestaat van ‘allochtoon’ en een objectieve telling niet mogelijk. Waar een wil is, is een weg, zegt het spreekwoord nochtans. Verschillende onderzoeken tellen het aantal studenten van allochtone afkomst op basis van een combinatie van de nationaliteit van de ouders, de geboorteplaats en familienaamherkenning. Nederland registreert het aantal allochtone studenten al langer via een link met het bevolkingsregister. In het leerplichtonderwijs voerde het decreet op de gelijke onderwijskansen het criterium thuistaal niet-Nederlands in. Ook een bijkomende veralgemeende taalproef die peilt naar de beheersing van het academisch Nederlands, behoort tot de mogelijkheden. Aan veel hoger onderwijsinstellingen bestaat al de praktijk van een etnische registratie. Wegen zijn er dus genoeg, alleen lijkt de politieke wil (nog) te ontbreken. Allochtonen liggen natuurlijk minder goed in de politieke markt. Wie een extra weging voor allochtone studenten bepleit, wordt al snel verdacht van positieve discriminatie. Nochtans gaat het hier om een financieel voordeel dat naar de instellingen gaat en niet naar de student. Allochtone studenten willen in het nieuwe financieringssysteem op dezelfde manier als werkstudenten, functiebeperkten, beursstudenten..in de balans gelegd worden. Met een eigen indicator die hun achterstelling in het hoger onderwijs op een structurele manier erkent én via een structureel ingebouwde extra financiering verhelpt. Deze staat een inclusief beleid niet in de weg. Wel integendeel. De extra financiële weging voor elke allochtone student, is een absolute noodzaak, wil de groots aangekondigde tweede democratiseringsgolf van minister Vandenbroucke geen slag in het water worden.

http://kifkif.riffle.be/actua/allochtonen-parias-onder-de-doelgroepen